Tips voor het formuleren van goede meerkeuzevragen zijn ook te vinden in deze video: https://www.youtube.com/watch?v=SCnkNIf18Sg 

Formuleren van de vragen 

  1. In PeerWise kun je meerkeuzevragen formuleren met maximaal 5 antwoordmogelijkheden. Bedenk dat er verschillende varianten mogelijk zijn, zoals: Waar-onwaar, Meerkeuze, In- en aanvulvragen. 
  1. Formuleer een vraag die relevant en specifiek is.  
    Een vraag als “Waar ligt Utrecht?” is niet specifiek, omdat het voor de studenten niet duidelijk zal zijn of dit bijvoorbeeld gaat om in welk land of welke provincie Utrecht ligt. De vraag zal goed geformuleerd moeten worden zodat de studenten weten wat er van hen gevraagd wordt. Op deze manier wordt een vraag ook relevant, zoals: “In welke provincie ligt de stad Utrecht?” 
  1. Gebruik korte zinnen. Lange zinnen verminderen de leesbaarheid van de vraag.  
  1. Probeer zoveel mogelijk informatie in de vraag te verwerken, zodat de antwoordopties kort blijven.  
  1. Vermijd negatief geformuleerde vragen. Vermijd woorden als “altijd”, “soms” en “nooit”.  
  1. Formuleer de vraag ook daadwerkelijk als een vraag die eindigt met een vraagteken. Hierdoor is duidelijk wat er wordt gevraagd.  

Tip: bij de vragen kun je ook nog gebruik maken van illustraties, foto’s of schema’s ter ondersteuning.  

Formuleren van de antwoorden 

  1. Formuleer eerst het juiste antwoord op de vraag en daarna de afleiders (antwoordalternatieven). 
  1. Probeer antwoorden te formuleren van ongeveer gelijke lengte.  
  1. Zet antwoordmogelijkheden op alfabetische of numerieke volgorde. Op deze manier staan de antwoorden steeds op willekeurige volgorde en wordt voorkomen dat de juiste antwoorden bewust of onbewust op steeds dezelfde plaats staan.  
  1. Gebruik geen dubbele ontkenning. Hierdoor worden de vragen of antwoorden lastig leesbaar. Een dubbele ontkenning is als in de vraag én in de antwoordmogelijkheden een ontkenning staat.  
  1. Zorg ervoor dat de antwoordmogelijkheden elkaar voldoende uitsluiten. Geef liever twee relevante afleiders in plaats van nog een derde of vierde afleider toe te voegen die op het eerste gezicht al onjuist is.  
  1. Geef nooit de optie: “alle bovenstaande antwoorden zijn juist” of “alle bovenstaande antwoorden zijn onjuist”. 

Tip: Herhaal geen woorden uit de vraag in één van de antwoorden. De kans dat dit antwoord goed is, is veel groter.  

Voorbeelden van een meerkeuzevraag 

Amsterdam ligt in: 

  1. Nederland
  1. Noord-Holland
  1. Zuid-Holland 

Deze vraag is geen goede vraag, want: 
Er staat geen vraagteken. Het is dus geen concrete vraag.  
Bovendien is de vraag is niet specifiek genoeg. Het is niet duidelijk of het gaat om de provincie of het land waarin Amsterdam ligt. Nu zijn twee antwoorden goed.  

De goede versie van de vraag zou zijn: 

In welke provincie ligt Amsterdam?  

  1. Nederland
  2. Noord-Holland 
  3. Zuid-Holland